Blij weerzien

Beste oude bekende,

Ik moet je iets bekennen. Mijn hoofd zit vol gaten. Gaten gevuld met allerlei woorden: mooie woorden, nieuwe woorden, ontoereikende woorden. Voor gezichten blijft er weinig plaats over. Die ontsnappen aan me zodra ze de kans krijgen.

Daarom gebeurt het dat wanneer ik een nieuwe collega op straat tegenkom, ik twijfel of zij het wel echt is.
Daarom schat ik de leeftijd van oud-leerlingen voortdurend volkomen fout in.
Daarom loop ik jou elke keer voorbij. Zonder een groet. Zonder een lach. Hooguit een vertwijfelde blik die zegt: ‘Ik ken die persoon ergens van.’

Het afgelopen jaar ben ik zo een mede-mama aan de schoolpoort tientallen keren voorbijgelopen. Haar gezicht kwam me ergens bekend voor. Ik groef in de zwarte gaten van mijn geheugen. Maar vond de oorsprong van mijn vermoeden niet. ‘Ach ,’ besloot ik, ‘ik zal het me wel verbeeld hebben.’ Stel dat ik iets zou zeggen en zij me van haar noch pluim zou kennen, ik zou door de grond zakken van schaamte.

Na enkele maanden heb ik toch maar het grote risico genomen: ik heb het aangedurfd om te knikken. Een hele tijd bleven we elkaar ’s morgens vriendelijk lachend tegenkomen.
In het begin van de herfst verloste ze me plots uit mijn lijden: ‘Dag Goedele, kent ge me nog? Ik heb bij u in de klas gezeten.’ Ze lachte. Want ze had me door. Zij wist dat ik haar vergeten was.
‘In de klas, wij?’ antwoordde ik.
Gelukkig nam ze me mijn vergetelheid niet kwalijk. Nog steeds herinner ik me haar niet als klasgenootje, maar ik geef haar het voordeel van de twijfel.  Haar versie van de feiten zal wel de juiste zijn.

Afgelopen zaterdag mocht ik met manlief mee naar de veertigjarigenreünie. Nu wist ik in welke archieflade van mijn brein ik moest graven. Dat hielp. Hier en daar kende ik nog iemand.
Naarmate de avond vorderde, kwamen er beelden terug. De meesten waren wel iets ouder geworden, maar eigenlijk toch ook dezelfde gebleven. Ik zou hen toch moeten herkennen als ik hen in Zutendaal tegenkwam?
’s Anderendaags mochten we weer met de benen onder tafel schuiven. Het was pastadag bij de VKSJ. Mijn dochter keek vol bewondering naar de leidsters in uniformhemd. Ze durfde hen nauwelijks te begroeten. Ik vroeg me af van wie ze dat had.  (Van mij toch niet, zeker?) En bedacht me intussen dat mijn leden mij nog steeds zullen herkennen. En dat ik hen iedere keer weer voorbijloop. Geen moeite neem om even bij te babbelen. Wat een arrogant schepsel ben ik toch!

En laat dat net het tegenovergestelde van mijn ambitie zijn. Dus, oude bekende, wanneer ik je nog eens, met mijn hoofd vol woorden, voorbijloop: vergeef me. Het is meer schroom dan hoogmoed. Spreek me aan, met een herinnering in je open hand.

24/11/2012